HET NEDERLAND VAN NINA EN ZO'N 16.696.000 ANDEREN

Tag: koffie

Waarom wij voor alles een bakkie pleur drinken

Werkend als 15-jarige puber bij Douwe Egberts werd ik als premature barista plotsklaps geworpen in een eeuw van nostalgie. Ik kwam terecht in een wereld van zegeltjes sparen en bijzonder moeilijk uitspreekbare woorden voor de gemiddelde middelbare tot seniore Bosschenaar. Een latte macchiato werd een ’latte moetsjatsjo’ en eindigde steevast in gemompel en ‘doe mij maar een kop koffie’. Dat er duizend varianten van het goedje op de menukaart stonden en deze bestelling voor enig chagrin in mijn hoofd zorgde, ontglipte mijn klanten vaak en graag.

Dus toefte ik een dot slagroom op de hazelnootlatte met mierzoet siroop om er bij het serveren achter te komen dat klant alleen een hazelnootje naast haar koffie had gewild. Een emmer koffie, was de omschrijving die ik kon verwachten van de enigszins riante teil koffie die ik met liefde voorschotelde. En de appelpunt verkregen via een goede social deal? Voor dat bedrag bakte mevrouw er wel 10.

Een gewoon bakkie pleur in een behapbaar formaat was wat ze wilden. De mensen, die elke zaterdag – en vaak dinsdag, donderdag en vrijdag vlak voor sluitingstijd – kwamen aanschoffelen. Aan hun hand een verregende plu, boodschappentas of een lieve, oudere partner die ‘maar vast in de stoel ging zitten’, want het wandelen was toch wel vermoeiend geweest.

Al die jaren als junior ‘barista’ hadden inhoudelijkerwijs niet veel vruchten afgeworpen. Van filtermalingen heb ik nog geen weet, net zoals temperaturen, kranige schuimlagen en gedegen latte art. Maar wat ik wel snap, is de magie van het kopje koffie. De magie van een warm drankje waarboven gesprekken ontstaan. Soms moeizaam, tijdens een eerste date, maar vaker leutend, heen en weer, kabbelend als een slagroomdot op een laatste restje chococchino.

Er kleeft iets magisch aan koffie. Dat heb ik al mijn hele leven gevoeld. Met een kartonnen cup of porseleinen emmer gevuld met zwart goud doe je iets. Leven met een missie, immer geradeaus. Denk maar aan de oudere Bosschenaren, die op hun goede dag weer en wind weerstonden. Ga maar lekker zitten, schat. Ik bestel een kopje koffie voor je.

Coffee to-go, a pursuit of happiness?

Laatst las ik een zeldzaam nuchtere uitspraak over –gaap-  Geluk:
‘Happiness = reality minus expectations’   Het motiveerde mij om eens mijn eigen gelukslevel langs de meetlat te leggen. Ik ga je niet lastig vallen met uitspraken als ‘ik kwam erachter dat ik eigenlijk heel gelukkig  ben’, of: ‘hoe kan ik zeggen dat ik gelukkig ben als ik niet eens weet wat geluk precies betekent’.

Ik wil het hebben over koffie. Niet over een merk, of de textuur van het vloeibare goedje, maar over het haast grotere doel waarvoor het dient.

Voor mij is het dus meer dan een drankje:  ik drink het niet –puur- voor de cafeïne (moeheid komt bij mij vaak door brakheid, wat weer gaat gepaard met een after alcohol-gevoeligheidsmaag).  Voor mij symboliseert dat kopje namelijk (denk ik) geluk: een stukje luxe, een kleine status upgrade, zowel uiterlijk als innerlijk: ik vervul bij aanschaf van koffie bijvoorbeeld succesvol de rol van kantoorklerk en/of hardwerkende serieuze journalist. En daarbij: hallo! Luxe! Een lekkere cappuccino die voor jou wordt gemaakt (in ruil voor centen, dat wel).
Maar waar het me vooral om te doen is: het daadwerkelijke kopen en drinken van je to-go beker of kopje. Ik ben dan in net zo’n gemoedstoestand als op het moment dat ik mijn snooze knop keihard indruk: het stelt eventuele ongemakken uit en compenseert  hetgeen wat ik misschien niet graag doe of waarvoor ik obstakels moet overwinnen: de soms wat minder leuke dingen in het leven. Een cappuccino a day -van mijn favoriete koffie merk in de ochtend- keeps the rain/slecht humeur/moeheid away, zoiets. Maar dus niet afstel hè, maar uitstel.

Behorend bij deze verborgen bekentenis dat ik koffie dus niet  alleen drink voor waarschijnlijke doeleinden (cafeïne) moet ik zeggen dat ik het A. drink omdat het in combinatie met melk en iets zoets (horror; ik doe er zelfs zoetjes in), best aardig smaakt en B. omdat niet het eindproduct er het meest toe doet maar mijn weg naar een eindproduct, zo een met valkuilen en omleidingen.  Niet je gevonden ultieme geluk door een nieuwe jas, pumps, designer tas of goed geschreven artikel) maar de weg ernaartoe (het bestellen, afhalen en vervolgens opdrinken a.k.a. doorzetten). Dat psychologische effect van: ‘hé, ik kan er weer tegenaan’. Dat weegt vast net zo zwaar als de daadwerkelijke cafeïne die op de vroege morgen door mijn lichaam pompt.

Voorbeeld: ik reis iedere ochtend met de trein. Voordat ik op mijn plek van bestemming ben moet ik een tocht van 50 minuten afleggen, deur tot deur. Als ik die laatste deur bereik voel ik mij een fractie van Super Mario als hij (toen ik nog Nintendo speelde), met zijn kop tegen de kubus knalt en de munt in hem verdwijnt.  Dus én ik heb er al een mini-prestatie op zitten, én ik stel het moment van noeste arbeid nog eeeeven uit.

Dit uitstelmotief komt ergens vandaan:  ik heb wel eens een  theorie gelezen dat emotie-eten niet bestaat, maar dat je eet om bepaalde zaken uit te stellen. Of het nou waar is of niet, sinds ik dat stukje tekst heb gelezen zijn vreetkicks nooit meer hetzelfde geweest. Terwijl de chips luider dan mijn gedachten knirpsten vroeg ik mijzelf af: eet ik nu omdat ik mezelf zielig vind of omdat ik een kut dag hebt gehad of: omdat ik nog werk moet verrichten maar me er niet toe kan zetten. Dus sinds ik besloot dat eten als uitstelmiddel niet perfect is bij de wens om niet tonnetje rond mijn weg met kronkels en valkuilen af te leggen, heb ik dit met genoegen ingeruild voor een goede bak.
Rest mij de vraag: lost het symptoom op en daarmee ook deels de oorzaak, of is de oorzaak weg en daarmee het symptoom? Nu nog  trainen om zwarte koffie te lusten.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox

Join other followers: