De eenzame flexstudent

door Nina Bogosavac

Jas aan, rugzak omgegordeld en een ferme trap op mijn fiets. Ik ben aan het afstuderen maar een dag studie is meer een oeverloze zoektocht waarbij ik van studentenkamer naar bibliotheek tijg en uiteindelijk neerstrijk in een hip koffiecafé.
Op die laatste plek kom ik de afgelopen jaren vaker, en niet alleen omdat ik zo gek ben het bruine goedje.
Ik heb behoefte aan een fijne werkplek met mensen om mijn heen, echte mensen. Vijf jaar geleden ben ik naar Utrecht verhuisd voor een studie waarbij ik veelal zelfstandig en op een laptop kan werken. En ja, dan is een kamer als werkplek soms best allenig. Om dat op te vullen heb ik tijdens het werken digitaal contact via Facebook en WhatsApp. En vooruit, bij wijze van pauze kijk ik een aflevering van mijn favoriete serie.

Die snackjes van contact met de buitenwereld zijn best leuk, merk ik. Maar zijn niet echt bevredigend. Net zo min dat series binge-watchen met een bord eten op je schoot dat is. Oké, voor dat laatste is best wat te zeggen als je wilt herstellen van een heftige kater of lange dag werken. Maar er komt altijd een moment dat je serie aan het laden is, de reflectie van het zwarte beeldscherm opdoemt en je afvraagt wat je in hemelsnaam aan het doen bent met je leven.

Feest
Ik zette dit gedrag zelfs voort toen ik van een klein studentenhuis naar een stadspand met 11 man verhuisde. Het scheelt dat we geen gemeenschappelijke ruimte hebben maar de hoeveelheid onderling contact is niet wat je verwacht van een huis vol studenten of starters op de arbeidsmarkt.
Hoe individueel wij zijn, werd me pijnlijk duidelijk in gesprek met een 25 jaar oudere kennis. In zijn herinnering was ‘op kot wonen’ één groot feest en werd ieder vrij moment doorgebracht met diepe gesprekken over het leven en een incidentele slok bier.

‘Er is niks tofs aan in slaap vallen met aan je wang een mobiel gekleefd’

Hoe anders dan de situatie waarin ik en veel generatiegenoten verkeren: af en toe samen eten, vooruit. Maar verder is het druk druk druk en wordt een eigen schema gevolgd waarbij me-time graag met een bordje op schoot wordt doorgebracht. Het lijkt mij ook best heftig, de hele tijd met andere mensen doorbrengen. Maar besef ik nu, het is misschien nog slechter om te worden opgeslokt door alle technologische dingetjes. Dit alles is het gevolg van de wereld waarin we nog wel even zullen leven, ben ik bang. Het (flex)werken, de nieuwe economie en de talloze technologische mogelijkheden: het geeft talloze mogelijkheden, maar het neemt ook af. Er is niks tofs aan in slaap vallen met een aan je wang gekleefde mobiel of een verhitte onderrug van de warme laptop die als een koalabeer in mijn rugzakbuidel vertoeft. Voor mijn generatie zijn deze dingen niet zo nieuw, maar vooral heel ‘gewoon’.

Dat ik mijn ‘echte’ sociale leven daardoor weleens een beetje vergeet is schandelijk, maar nam ik op de koop toe. Het is stiekem best makkelijk, om in plaats van de deur uit te gaan een paar vrije uurtjes door te brengen met hoofdrolspelers van een serie. Er moet al zoveel, laat mij maar even. Ik vermaak me wel.

Controle
Die neiging komt volgens een onderzoek in opdracht van The New York Times niet door gemak, maar door een angst voor het gesprek. Een echt gesprek dus. Simpelweg omdat we gewend zijn geraakt aan een nieuwe manier van samen alleen zijn. Toegerust met technologie zijn we continu in contact met elkaar én honderd anderen. Dat komt doordat de mobiele apparaten die we de hele dag mee slepen niet alleen veranderen wat we doen in ons leven, maar ook wie we zijn.

We leiden steeds meer een leven dat is aangepast aan onze wensen, een waarbij we zelf kunnen kiezen waar we onze aandacht op richten. Precies die controle waar we onze aandacht op richten is een felbegeerd iets. Ongeduldig als we zijn, kiezen we graag situaties uit waarin we alleen datgene hoeven te doen waar we zin in hebben.

En dat herken ik. Want ‘echt’ contact is niet altijd efficiënt en effectief. Het brengt ook frustratie, vermoeidheid en zelfs saaiheid met zich mee. Bij het inschakelen van een digitale vervanger heb je hier tenminste geen last van. We zijn dan ook, aldus het onderzoek, geneigd om te denken dat onze kleine ‘teugjes’ online communicatie via Twitter en Facebook bij elkaar opgeteld overeenkomen met een grote slok van een ‘echt gesprek’. Maar hoe waardevol dan ook, het biedt geen volwaardig alternatief voor een echt gesprek.

‘De barista herkent je na vijf keer latte-met-volle-melk-en-kaneel tenminste wel’

Waar ik, en mogelijk die 50 procent van de jongeren die negatieve gevolgen ondervinden van sociale media, inmiddels weer naar op zoek zijn is dat wat nu in het dagelijks leven iets te vaak wordt vermeden: een real-life community met de negatieve en de mooie kanten van echt contact. We maken onszelf dat knap lastig, getuige de volle koffietentjes met mensen die wel samen willen zitten maar naast een ‘let jij op mijn laptop’ niet echt met elkaar praten. Althans, dat dacht ik. De barista, die is altijd in voor een praatje en herkent je na 5 keer latte-met-volle-melk-en- kaneelpoeder wel.

In de korte docu ‘Welkom’ over de rol van Speciality Coffee in Utrecht vertelt een eigenaar dat hij zijn minimalistische zaak oprichtte vanuit een behoefte terug te gaan naar de essentie. Een plek waar het prettig is, waar je dingen kan loslaten, zegt hij. Zoiets als een modern buurthuis dus. En het werkt: de vaste klanten komen bij hen staan kletsen over het wel en wee in hun leven. Ze komen dus niet alleen voor de koffie. Mensen missen een vaste ontmoetingsplek en die rol wordt nu heel erg vervult, aldus de eigenaren.

Een inspiratie voor hoe ik mijn leven meer ‘offline’ sociaal kan inrichten vond ik niet in de Nederlandse koffiecultuur of mijn overbevolkte maar soms heel stille huis. Ik vond het in een ander land. Tijdens een reportagereis in Georgië verbleef ik in een hostel dat was aangekleed als een grote huiskamer waar schoenen verboden waren en spelletjes werden gedaan op de met kleden en kussens bezaaide vloer. In de keuken was altijd iemand aan het koken of een pot thee aan het zetten door hostelgangers en staff. Het was een doodnormale vraag, eet je mee, en wee en gebeente als je aanbood mee te betalen. Voor en tijdens het eten voerden we diepe gesprekken over het leven terwijl een variant op borsjt wegpruttelde en de vriend van een vrouwelijke staffmedewerker op zijn kop kreeg omdat hij veel te dure kip uit de supermarkt had gekocht. (‘’Hoezo súpermarkt, we hebben een markt!’’)

Ik genoot en besluit sindsdien wat meer ‘samen’ te doen, wat meer echt contact en praten. Hoe verlokkelijk die serie op mijn kamer ook is. Terug in Nederland haalde ik en mijn huisgenoten een verstoft filterkoffie apparaat van iemands oma naar beneden in plaats van het ééncups apparaat en sjorden als kers op de community taart nog een groot fornuis met 5 pitten naar boven. Zittend aan mijn thuiswerkbureau bedacht ik mij dat flexwerken op deze manier zo gek nog niet. Zolang je maar weet dat er ergens een pannetje staat te pruttelen.

Dit artikel werd gepubliceerd in Trajectum (#3), het tijdschrift van de Hogeschool Utrecht.

FacebookTwitterEmail