Interview met socioloog Rogier van Reekum: ‘’Een vraag naar een nationale identiteit is een vraag om waardigheid’’

door Nina Bogosavac

Ik heb mij bij het schrijven van dit blog al vaak afgevraagd: wat is Nederland(s)?
Op mogelijke antwoorden hierop (soorten mensen, berichten in het nieuws) heb

socioloog Rogier van Reekum

socioloog Rogier van Reekum

ik mijn stukken iedere week gebaseerd. Ik wilde met mijn blog  de  ‘normale’ mens laten zien en onderzoeken wat Nederland voor mij betekent. Vragen die hierbij opkwamen leidden onherroepelijk tot de Nederlandse identiteit.  Om nou ‘Maxima zegt dat dé Nederlander niet bestaat’  te behandelen leek mij oude koek. Interessanter vind ik waar deze hele discussie vandaan komt. Waarom is die discussie  zo hevig en wat is de rol van de overheid in onze nationale identiteit? Socioloog en filosoof Rogier van Reekum schreef hierover een interessant artikel. Hij gaf aan dat deze discussie niet zozeer nieuw is maar wel democratischer is geworden en lichtte dit toe.

Rogier: ‘’Empirisch kun je vaststellen dat het niet onmogelijk is om te spreken van een nationale identiteit. Het is de afgelopen 20 jaar daar behoorlijk vaak over gegaan in het publieke debat. De vraag is natuurlijk: wat komt daar uit, en als je daar naar kijkt is het dan mogelijk om daar hele vastomlijnde dingen over te beweren. Mensen werpen die vraag op, en wat ik interessant vind is niet eens zozeer het antwoord als wel hoe mensen denken hoe ze überhaupt het antwoord kunnen vinden op die vraag. Men zegt dan: als we antwoord willen moeten we in de geschiedenis kijken, een opiniepeiling doen, we moeten naar onze politieke cultuur kijken of naar de media. Vervolgens blijkt het knap lastig, ook als je een idee hebt waar je het moet zoeken, om er een duidelijk antwoord op te geven. Het blijkt helemaal lastig om daar enige consensus over te bereiken, dat is een zelf-

ondermijnend reflex. Zodra je zegt dat je consensus wil over dit onderwerp maakt dat dat die consensus er niet zal komen, want er zijn altijd mensen die het er niet mee eens zijn. Twintig jaar geleden was het normaal om experts over de nationale identiteit aan het woord te laten. Vervolgens kwam er de discussie over welke deskundige er gelijk heeft. Vanaf de jaren 70 kunnen experts niet meer claimen ‘wij weten hoe het zit’.  Zij zijn een stem tussen een heleboel andere stemmen geworden. ‘’

Van ‘vragen aan experts’ naar ‘iedereen mag erover mee praten.’

In het publieke debat gaat het nadrukkelijk over welke stemmen er worden buitengesloten. Dit kwam naar buiten ten tijde van Fortuyn: er werd gedacht ‘’Ha! Fortuyn vertolkt die stem in het debat waar niet naar werd geluisterd’’.  Nu denkt men: over de nationale identiteit mag iedereen meepraten, daar moest dus iets aan gedaan worden. Na de dood van Fortuyn zie je dat mensen zeggen dat ‘we manieren moeten vinden om de stem die Fortuyn vertolkte’ onderdeel te maken van het beleid. De rechtvaardiging voor het maken van nieuw beleid na 2002 was heel sterk omdat die stem aanvankelijk was buitengesloten. Ik wil laten zien dat dit soort zweverige dingen (beelden, ideeën, uitwisselingen van stemmen) tegelijkertijd ook hele nadrukkelijke consequenties hebben voor werkelijk veranderingen in beleid.”

Maar hoe heeft  de overheid dan concreet invloed op de nationale identiteit? Rogier: ‘’De overheid hoopt met name dat iedereen zich thuis voelt in Nederland en dat mensen zich identificeren met Nederland. Dat geldt vooral voor de tweede en derde generatie allochtonen. Aan hen wordt gevraagd: met welk land identificeer je je het meest? De overheid probeert een beleid te ontwikkelen die invloed heeft op hele intieme zaken, bijvoorbeeld op opvoeding. Dat is lastig: belasting heffen is goed te organiseren met regels maar proberen in te grijpen op de privé sfeer  is moeilijk. Analoog aan die zelf ondermijnende dynamiek van consensus bereiken, – die je dus niet krijgt- gebeurt ook als de overheid zegt ‘wij gaan invloed hebben op de privé sfeer’’ de overheid heeft zichzelf een opdracht gegeven die alleen tot een teleurstelling kan leiden, afgezien van of het juist is of niet. Een van die veranderingen die zijn ingevoerd is het immigratie beleid. Het hele testen van ‘weet je genoeg van de Nederlandse samenleving en de waarden en normen’ werd uitgebreid.  Ook worden nieuwkomers geconfronteerd met hele intieme zaken zoals het op film zien van zoenende homo’s. Op die manier probeert de overheid daar grip op te krijgen.

‘’Identiteit geeft uitdrukking aan waardigheid van mensen.’’
‘’Die zoektocht naar de Nederlandse identiteit is vooral een uitdrukking van waardigheid: tel ik wel mee? Het gaat niet alleen om de koning of leiders die waardigheid hebben, het is niet alleen hun leven dat ertoe doet.  We zijn hiertoe geneigd sinds de 19e eeuw. Dat is een democratisch proces: het volgt het idee van vrouwen kiesrecht en stemmen door mensen die niet blank zijn. Je ziet in de periode na de WOII dat discussies over nationale identiteit vooral vragen zijn over wie er telt. Bij immigratie en asiel staat er op het spel: tellen die mensen mee en zo ja, evenveel als mensen met een Nederlands paspoort? Een ander moment was bijvoorbeeld bij Fortuyn: er worden naar heel veel zorgen van mensen niet geluisterd, alleen Den haag regeert en dat kan niet in een natie werd er gedacht. Bij dit soort kwesties zie je dat er discussies ontstaan over nationale identiteit omdat ze uitdrukking geven aan waarom ik mee tel en andere niet.’’

Rogier: ‘’Zorgelijk is dat er aan de ene kant  een roep om waardigheid wordt gedaan en dat een antwoord daarop een repressief beleid is van grenzen afsluiten etc. Het is maar de vraag of die reactie het gewenste resultaat geeft. Een steeds strenger optredende overheid kan juist het gevoel, ook voor autochtone Nederlanders, oproepen dat je  niet mee telt en waardig bent…’’

 

 

 

 

FacebookTwitterEmail