HET NEDERLAND VAN NINA EN ZO'N 16.696.000 ANDEREN

Category: Uncategorized

Waarom wij voor alles een bakkie pleur drinken

Werkend als 15-jarige puber bij Douwe Egberts werd ik als premature barista plotsklaps geworpen in een eeuw van nostalgie. Ik kwam terecht in een wereld van zegeltjes sparen en bijzonder moeilijk uitspreekbare woorden voor de gemiddelde middelbare tot seniore Bosschenaar. Een latte macchiato werd een ’latte moetsjatsjo’ en eindigde steevast in gemompel en ‘doe mij maar een kop koffie’. Dat er duizend varianten van het goedje op de menukaart stonden en deze bestelling voor enig chagrin in mijn hoofd zorgde, ontglipte mijn klanten vaak en graag.

Dus toefte ik een dot slagroom op de hazelnootlatte met mierzoet siroop om er bij het serveren achter te komen dat klant alleen een hazelnootje naast haar koffie had gewild. Een emmer koffie, was de omschrijving die ik kon verwachten van de enigszins riante teil koffie die ik met liefde voorschotelde. En de appelpunt verkregen via een goede social deal? Voor dat bedrag bakte mevrouw er wel 10.

Een gewoon bakkie pleur in een behapbaar formaat was wat ze wilden. De mensen, die elke zaterdag – en vaak dinsdag, donderdag en vrijdag vlak voor sluitingstijd – kwamen aanschoffelen. Aan hun hand een verregende plu, boodschappentas of een lieve, oudere partner die ‘maar vast in de stoel ging zitten’, want het wandelen was toch wel vermoeiend geweest.

Al die jaren als junior ‘barista’ hadden inhoudelijkerwijs niet veel vruchten afgeworpen. Van filtermalingen heb ik nog geen weet, net zoals temperaturen, kranige schuimlagen en gedegen latte art. Maar wat ik wel snap, is de magie van het kopje koffie. De magie van een warm drankje waarboven gesprekken ontstaan. Soms moeizaam, tijdens een eerste date, maar vaker leutend, heen en weer, kabbelend als een slagroomdot op een laatste restje chococchino.

Er kleeft iets magisch aan koffie. Dat heb ik al mijn hele leven gevoeld. Met een kartonnen cup of porseleinen emmer gevuld met zwart goud doe je iets. Leven met een missie, immer geradeaus. Denk maar aan de oudere Bosschenaren, die op hun goede dag weer en wind weerstonden. Ga maar lekker zitten, schat. Ik bestel een kopje koffie voor je.

De eenzame flexstudent

Jas aan, rugzak omgegordeld en een ferme trap op mijn fiets. Ik ben aan het afstuderen maar een dag studie is meer een oeverloze zoektocht waarbij ik van studentenkamer naar bibliotheek tijg en uiteindelijk neerstrijk in een hip koffiecafé.
Op die laatste plek kom ik de afgelopen jaren vaker, en niet alleen omdat ik zo gek ben het bruine goedje.
Ik heb behoefte aan een fijne werkplek met mensen om mijn heen, echte mensen. Vijf jaar geleden ben ik naar Utrecht verhuisd voor een studie waarbij ik veelal zelfstandig en op een laptop kan werken. En ja, dan is een kamer als werkplek soms best allenig. Om dat op te vullen heb ik tijdens het werken digitaal contact via Facebook en WhatsApp. En vooruit, bij wijze van pauze kijk ik een aflevering van mijn favoriete serie.

Die snackjes van contact met de buitenwereld zijn best leuk, merk ik. Maar zijn niet echt bevredigend. Net zo min dat series binge-watchen met een bord eten op je schoot dat is. Oké, voor dat laatste is best wat te zeggen als je wilt herstellen van een heftige kater of lange dag werken. Maar er komt altijd een moment dat je serie aan het laden is, de reflectie van het zwarte beeldscherm opdoemt en je afvraagt wat je in hemelsnaam aan het doen bent met je leven.

Feest
Ik zette dit gedrag zelfs voort toen ik van een klein studentenhuis naar een stadspand met 11 man verhuisde. Het scheelt dat we geen gemeenschappelijke ruimte hebben maar de hoeveelheid onderling contact is niet wat je verwacht van een huis vol studenten of starters op de arbeidsmarkt.
Hoe individueel wij zijn, werd me pijnlijk duidelijk in gesprek met een 25 jaar oudere kennis. In zijn herinnering was ‘op kot wonen’ één groot feest en werd ieder vrij moment doorgebracht met diepe gesprekken over het leven en een incidentele slok bier.

‘Er is niks tofs aan in slaap vallen met aan je wang een mobiel gekleefd’

Hoe anders dan de situatie waarin ik en veel generatiegenoten verkeren: af en toe samen eten, vooruit. Maar verder is het druk druk druk en wordt een eigen schema gevolgd waarbij me-time graag met een bordje op schoot wordt doorgebracht. Het lijkt mij ook best heftig, de hele tijd met andere mensen doorbrengen. Maar besef ik nu, het is misschien nog slechter om te worden opgeslokt door alle technologische dingetjes. Dit alles is het gevolg van de wereld waarin we nog wel even zullen leven, ben ik bang. Het (flex)werken, de nieuwe economie en de talloze technologische mogelijkheden: het geeft talloze mogelijkheden, maar het neemt ook af. Er is niks tofs aan in slaap vallen met een aan je wang gekleefde mobiel of een verhitte onderrug van de warme laptop die als een koalabeer in mijn rugzakbuidel vertoeft. Voor mijn generatie zijn deze dingen niet zo nieuw, maar vooral heel ‘gewoon’.

Dat ik mijn ‘echte’ sociale leven daardoor weleens een beetje vergeet is schandelijk, maar nam ik op de koop toe. Het is stiekem best makkelijk, om in plaats van de deur uit te gaan een paar vrije uurtjes door te brengen met hoofdrolspelers van een serie. Er moet al zoveel, laat mij maar even. Ik vermaak me wel.

Controle
Die neiging komt volgens een onderzoek in opdracht van The New York Times niet door gemak, maar door een angst voor het gesprek. Een echt gesprek dus. Simpelweg omdat we gewend zijn geraakt aan een nieuwe manier van samen alleen zijn. Toegerust met technologie zijn we continu in contact met elkaar én honderd anderen. Dat komt doordat de mobiele apparaten die we de hele dag mee slepen niet alleen veranderen wat we doen in ons leven, maar ook wie we zijn.

We leiden steeds meer een leven dat is aangepast aan onze wensen, een waarbij we zelf kunnen kiezen waar we onze aandacht op richten. Precies die controle waar we onze aandacht op richten is een felbegeerd iets. Ongeduldig als we zijn, kiezen we graag situaties uit waarin we alleen datgene hoeven te doen waar we zin in hebben.

En dat herken ik. Want ‘echt’ contact is niet altijd efficiënt en effectief. Het brengt ook frustratie, vermoeidheid en zelfs saaiheid met zich mee. Bij het inschakelen van een digitale vervanger heb je hier tenminste geen last van. We zijn dan ook, aldus het onderzoek, geneigd om te denken dat onze kleine ‘teugjes’ online communicatie via Twitter en Facebook bij elkaar opgeteld overeenkomen met een grote slok van een ‘echt gesprek’. Maar hoe waardevol dan ook, het biedt geen volwaardig alternatief voor een echt gesprek.

‘De barista herkent je na vijf keer latte-met-volle-melk-en-kaneel tenminste wel’

Waar ik, en mogelijk die 50 procent van de jongeren die negatieve gevolgen ondervinden van sociale media, inmiddels weer naar op zoek zijn is dat wat nu in het dagelijks leven iets te vaak wordt vermeden: een real-life community met de negatieve en de mooie kanten van echt contact. We maken onszelf dat knap lastig, getuige de volle koffietentjes met mensen die wel samen willen zitten maar naast een ‘let jij op mijn laptop’ niet echt met elkaar praten. Althans, dat dacht ik. De barista, die is altijd in voor een praatje en herkent je na 5 keer latte-met-volle-melk-en- kaneelpoeder wel.

In de korte docu ‘Welkom’ over de rol van Speciality Coffee in Utrecht vertelt een eigenaar dat hij zijn minimalistische zaak oprichtte vanuit een behoefte terug te gaan naar de essentie. Een plek waar het prettig is, waar je dingen kan loslaten, zegt hij. Zoiets als een modern buurthuis dus. En het werkt: de vaste klanten komen bij hen staan kletsen over het wel en wee in hun leven. Ze komen dus niet alleen voor de koffie. Mensen missen een vaste ontmoetingsplek en die rol wordt nu heel erg vervult, aldus de eigenaren.

Een inspiratie voor hoe ik mijn leven meer ‘offline’ sociaal kan inrichten vond ik niet in de Nederlandse koffiecultuur of mijn overbevolkte maar soms heel stille huis. Ik vond het in een ander land. Tijdens een reportagereis in Georgië verbleef ik in een hostel dat was aangekleed als een grote huiskamer waar schoenen verboden waren en spelletjes werden gedaan op de met kleden en kussens bezaaide vloer. In de keuken was altijd iemand aan het koken of een pot thee aan het zetten door hostelgangers en staff. Het was een doodnormale vraag, eet je mee, en wee en gebeente als je aanbood mee te betalen. Voor en tijdens het eten voerden we diepe gesprekken over het leven terwijl een variant op borsjt wegpruttelde en de vriend van een vrouwelijke staffmedewerker op zijn kop kreeg omdat hij veel te dure kip uit de supermarkt had gekocht. (‘’Hoezo súpermarkt, we hebben een markt!’’)

Ik genoot en besluit sindsdien wat meer ‘samen’ te doen, wat meer echt contact en praten. Hoe verlokkelijk die serie op mijn kamer ook is. Terug in Nederland haalde ik en mijn huisgenoten een verstoft filterkoffie apparaat van iemands oma naar beneden in plaats van het ééncups apparaat en sjorden als kers op de community taart nog een groot fornuis met 5 pitten naar boven. Zittend aan mijn thuiswerkbureau bedacht ik mij dat flexwerken op deze manier zo gek nog niet. Zolang je maar weet dat er ergens een pannetje staat te pruttelen.

Dit artikel werd gepubliceerd in Trajectum (#3), het tijdschrift van de Hogeschool Utrecht.

‘I hope they offer me free food’

Het lijkt me best wel fijn om iets anders te hebben buiten mezelf, verzuchtte ze terwijl haar lotushouding compleet maakte. Op de grond in mijn studentenkamer staan twee minuscule kopjes thee, meegegeven door een huisgenoot uit haar thee-commune. H. (23) studeerde twee weken geleden af aan de school voor journalistiek in Helsinki en ontvlucht naar eigen zeggen nog even het echte leven door Down Under te gaan, met een tussenstop in Nederland.

Via Couchsurfing legde ze contact met een ‘old but sweet couple’ die haar wel willen hosten in Melbourne. I hope they offer me free food, had ze gezegd nadat we ons geld hadden uitgegeven tijdens een eet-marathon in Utrechtse hamburgerbarretjes.

Ik leerde H. – toen nog zonder meeneembare theeset – een halfjaar eerder kennen toen zij voor haar minor in Utrecht studeerde. Terwijl alle andere internationals zichzelf voorstelden met een cool verhaal, glimlachte H. vooral heel vriendelijk. Het was soort vriendschap op het eerste gezicht, een die mijn naam kirrend van laag naar hoog uitsprak – Niina!
Beiden worstelden we soms met vriendengroepen – ben ik nou een groepsmens of niet? – en acné bleek ook de beeldschone H. te hebben geplaagd. Wat kleine littekentjes op haar bijna transparante huid wijtend aan de weinige Scandinavische zonuren waren hiervan het enige bewijs.

Zittend op de grond bij haar kopje mate thee – dat spul dat verwerkt is in het overhypte Berlijnse Club Mate drankje – vertelde ze over haar dumpsterdive avonturen in de vuilnisbakken van Helsinki en het alcohol- en suikerloze bestaan in haar huis waarin meisjes ‘eens per maand’ rebels waren door chocolade te eten.

Het lampje dat ze uit haar backpack vist om mij niet te storen tijdens het slapen, deed dienst als hulpstuk voor bij het zoeken naar voedsel. H’s theedrinkende huisgenoten bleken naast alle fratsen allen eigenlijk heel gewoon. De een studeerde om arts te worden, de ander advocaat. Moderne hippies dus. Alcohol was taboe en zoetigheden overbodig, en het eten werd dus zoveel mogelijk uit supermarkt vuilnisbakken gevist.

Terwijl H. zittend op mijn grond vooruitblikt op haar reis naar Australië, werkend op organic farms in ruil voor voedsel en en onderdak,reflecteert ze op wat nog niet eens is gebeurd. ‘De reis is een soort van ontsnapping. Ik wil er nog niet aan’ vertelt ze me, aan het leven. Het terug ticket had ze nog niet geboekt dus wie weet hoe lang ze weg zou blijven.

Ergens tussen de vooruitblik naar spannende avonturen en terugblik op een afgesloten hippie avontuur deed ze een gooi naar de verre toekomst. Een die ze stiekem dichterbij wilde dan wat haar na de reis te wachten stond. ‘Ik wil iets anders om voor te leven dan mijzelf.’ Dat de levensfase waar je in zit per definitie een is waar je ontevreden over bent lijkt een feit. Als klein kind wil je niets liever dan volwassen zijn en zelf bepalen hoe laat je naar bed gaat. Ben je een puber dan kan je soms wensen om een stuk stabieler te zijn dan je emotionele up/downende zelf. En erna?

De VN worden zeventig, tijd voor pensioen?

Ietwat kakkineuze studenten staren in de lens. De meisjes in frivool rode jurkjes en de mannen in pak. ‘Say: ‘top-down’, eh, cheese!’ In deze contreien zijn de Verenigde Naties niet bekend van het ontbijt dat we anders niet zouden hebben. Toto, we’re not in Africa anymore. Hier staat het voor een stukje prestigieus cv building waar menig rechtenstudent op af vliegt als het stereotype hongerskindje op een bordje pap.

Deze flyer in de wc van mijn studentenhuis die studenten oproept mee te doen aan de grootste simulatie ter wereld, staat voor mij symbool voor de manier waarop wij met armoede omgaan. Al bijna zeven decennia lang. Zolang we het maar genoeg van boven sturen – trek een zak diplomaten open, het feest kan niet op – komt het uiteindelijk echt goed. Tekenend voor deze benadering is de ongemakkelijke conclusie dat de VN een hele fijne carrière mogelijkheid is geworden.

De grootste simulatie ter wereld waarvoor diplomaten in de dop worden opgeroepen aan mee te doen, vindt plaats in hetzelfde gebouw in New York van waaruit de Millenniumdoelen – ook wel de stokpaardjes van de VN – sinds 2000 de wereld bestieren. Repeterend voor 2015, het jaar waarin hopelijk de harde toppen van de armoede zijn afgezwakt tot een meer acceptabele vorm van het niet voldoen aan mensenrechten.
In aanloop naar het moment suprême echoot de testmuziek van de DJ door de straten. Welke taart zal er worden gehaald en zal Ban Ki-Moon zijn feeststropdas dragen?
Vanuit een centraal punt de hele wereld bestieren is natuurlijk een beetje van de zotte. Tot die conclusie kwamen correspondenten Maite Vermeulen en Karel Smouter toen zij op de VN Summer School waren. ‘De meest gehoorde opmerking – gek genoeg – was dat er niet sprake is van één Verenigde Naties.’

Ideeën over hervormingen van de VN bestaan al langer, maar een pensioengerechtigde leeftijd van zeventig jaar zet je toch voorzichtig aan het denken. Laat bijvoorbeeld, in plaats van Rijke Landen die het voortouw nemen, de mensen in ontwikkelingslanden aan het woord. Van hulp naar ownership, zoals Eveline Herfkens dat al jaren verkondigt.
Zelfs de Millenniumdoelen zijn vastgesteld in zo’n proces dat internationale ambtenaren voor ontwikkelingslanden besloten wat er moest gebeuren, aldus hoogleraar ontwikkelingseconomie Rolph Van der Hoeven. Niet alleen zou de structuur volgens hem effectiever kunnen worden georganiseerd, maar ook de blik op armoede moet worden veranderd. En daar slaat hij de spijker op zijn kop: het zal toch namelijk niet zo zijn dat we zoveel jaar af hebben zitten tellen naar het moment waarop het eindelijk zou gebeuren en dat dan blijkt dat er niks is veranderd, omdat ‘húh?!’, de aanpak niet effectief blijkt?
Te veel verwachten van het nieuwe jaar zorgt alleen maar voor teleurstelling. Als de klok 12 uur slaat en het vuurwerk op het hoofdkantoor wordt ontstoken betekent dat ook het einde van de Millenniumdoelen. De nationale commissie voor internationale samenwerking en duurzame ontwikkeling benadrukte het nog maar eens: 2015 wordt een belangrijk jaar. Maar voor wie?

Ik ben een nobody: een ode aan niet krampachtig authentiek zijn

‘Je zult niet denken dat je bijzonder bent, je zult niet denken dat je beter bent dan een ander.’ Zo begint schrijver Karl Ove Knausgård zijn verhaal over de mantra die zijn jeugd in Noorwegen domineerde. In dit stuk dat hij schreef voor Vrij Nederland fileert hij de manier waarop de ‘één van ons’-mentaliteit de norm was.  Hiervan afwijken was not done. De gelijkenis met het Nederlandse  ‘niet je kop boven het maaiveld uitsteken’ is opvallend.

Waar zijn die pioniers van het ‘iets zijn’  – Knausgård zelf deed in het geniep mee aan een tv-talentenjacht  en hoopte vurig beroemd te worden – die zich in de jaren ‘70 als eersten losrukten uit de kluwen van hun tijdsgeest  nu eigenlijk?

Overal. En dat lijkt precies het probleem. Op tv, je social media kanalen, nota bene je buurvrouw die in het weekend haar oude barrel op staat te schuren tot modelletje Volkswagen hippie chique. Iedereen doet iets bijzonders of ‘uitermate authentiek.’ Van gekkigheid niet meer weten wat te doen om op te vallen – wat in Knausgårds tijd al kon door een gekke broek aan te trekken – zorgt voor stress. En stress, daar worden we al helemaal niet gelukkiger van.

Kortom: hoe zorg je ervoor dat je binnen die colonne van coole kids – waar ook veel volwassenen onder vallen – nog opvalt?
Niet door dat pertinent niet te doen maar wel door daarbinnen  trouw te blijven aan jezelf, zegt psychologe Nelleke van Rooij. Als organisatieadviseur komt zij het vaak tegen: mensen die wijzen naar de steeds meer eisende 24/7-maatschappij. ‘Iedereen roept  de laatste jaren dat je authentiek moet zijn, terwijl je de minste kans hebt op ongezonde stress door in ieder geval zoveel mogelijk ‘trouw’ te zijn aan je eigen kwaliteiten, normen en waarden. Ik denk dat druk om ook echt onderscheidend te zijn ontstaat als je hiervan wegdrijft.  En je kunt pas echt onderscheidend zijn als je trouw blijft aan jezelf! Ik zie die druk om onderscheidend te zijn vooral bij mensen die minder zelfverzekerd zijn. Het is een signaal om je persoonlijke ontwikkeling aan te pakken in plaats van de oorzaak bij iets of iemand buiten jezelf te leggen.’’

Het ietwat pijnlijke besef dat nuchter naar jezelf kijken meer loont dan jammerend naar de zeitgeist te wijzen, bevestigt ook Ybe Meesters. Als klinisch psycholoog is hij verbonden aan het burn-outprogramma van het Universitair Medisch Centrum Groningen. ‘Belangrijk is hoe je zelf met prestatiedruk omgaat. Als je te veel energie steekt in de dingen die je belangrijk vindt en geen tijd neemt om te ontspannen, kun je je voorstellen dat de druk te hoog wordt.’

Meesters wordt regelmatig als deskundige op dit gebied gevraagd en doet er nog een schepje bovenop. ‘Je kunt niet zomaar een verband leggen tussen een hoge prestatiedruk en een burn-out. Ook is bijvoorbeeld niet bekend hoeveel jongeren daadwerkelijk met een burn-out kampen.’

Maar hoe blijf je daadwerkelijk jezelf als er nadrukkelijk wordt gevraagd om jouw unique selling points de wereld in te slingeren, zoals in steeds meer beroepen het geval is?

Dolf Rogmans, hoofdredacteur van vakblad Villamedia, geeft regelmatig gastlessen aan aanstaande journalisten. Hij claimt dat doen wat bij jou past je uiteindelijk het verst brengt. ‘Doe je dat niet, bijvoorbeeld door over thema’s te schrijven die niet bij jou passen als persoon, dan val je uiteindelijk door de mand als journalist. Het ene biedt je een succesvolle sprint maar het ander langdurige winst.’  Dat alleen jezelf zijn niet genoeg is bevestigt hij indirect door jonge studenten aan te sporen zich te onderscheiden in onzeker banenland. ‘Leer een taal! Waarom zou je je beperken tot de Nederlandse media? Maar uiteindelijk geldt ook hier: er is geen recept voor succes.’

Hoewel het ‘laten zien van jezelf’ weliswaar door opdrachtgevers wordt geëist, is de innerlijke drang van de mens om van zich te laten horen zo mogelijk nog groter.  De Noorse schrijver die inmiddels zelf interview na interview levert over zijn succesvolle boekenserie ‘Mijn strijd’,  zegt hierover dat die behoefte op dezelfde rang staat als voedsel en een dak boven je hoofd. ‘Gezien worden is een basisbehoefte van mensen. Het heeft met identiteit te maken en als die niet in jezelf is verankerd, maar fluctueert en door factoren van buitenaf wordt gestuurd, kan die ten slotte allesbepalend worden. Het kan de dominerende kracht in een leven worden.’’

Natuurlijk, die egocentrische collega of onzekere student kennen we allemaal wel. Maar dat het een stapje erger kan, blijkt volgens Knausgård ook uit de shootings op scholen en zelfs het drama op schiereiland Utoya in zijn geboorteland.  ‘De dader is Anders Breivik, die ‘meer en meer geïsoleerd raakte, tot hij zich ten slotte alleen in een kamer achter een scherm bevond, waar hij een jaar lang elk uur van de dag World of Warcraft speelde’, niks meer te verliezen had.’

Knausgård:‘Hij is niemand, en niemand zijn betekent dood zijn, en wanneer je dood bent, ben je voorbij alles. Je hebt niets meer te verliezen. Alles is mogelijk. Breivik vermoordde die dag in totaal 77 mensen om gezien te worden, het maakte hem niet meer uit waarvoor hij werd aangezien. In zijn ogen was hij een held, een bevrijder, de enige, de uitverkorene.’

Van Utoya naar Noord-Brabant: iemand die wel zijn droom achterna gaat maar zich niet gek laat maken is Twan (40). Naast zijn carrière als journalist bij een regionaal dagblad schrijft hij boeken over de Nederpopscene. Het laten zien van jezelf en boeken van succesjes is vooral een kwestie van zelfrelativering en doorzetten, zo zegt hij. En wellicht het buiten de deur houden van een smartphone?

‘Ik maak dingen liever in het echt mee dan dat ik ze via een beeldschermpje ervaar. Daarom vind ik het ook leuk om nederpopavonden te organiseren: lekker in een klein cafeetje met mensen over muziek praten, geweldig. Laatst had ik negen man publiek, waarvan zeven familie van mij. Maar het leuke is – en daar put ik vertrouwen uit –  zo is Doe Maar ook begonnen. De manager vertelde over een optreden in Tilburg met veertig man publiek, waarvan vijftien mensen familie waren van Henny Vrienten.’

‘Het is zoals de zanger van de Rotterdamse band Noodweer zei: ‘In een publiek met vijftien man is humor het enige dat je kan redden.’ De spijker op zijn kop, je moet er met een beetje zelfspot naar kijken, jezelf niet altijd al te serieus nemen. Als mensen een beetje meer zelfrelativering hadden, was het met de wereld een stuk beter gesteld. En dan was de zwartepietendiscussie ook al lang de wereld uit, maar dat terzijde.’

Over de drang om te innoveren en verbreden heeft ook socioloog Willem Schinkel wat te zeggen. Tijdens de boekpresentatie van Gratis Geld Voor Iedereen van Rutger Bregman stelt hij dat de verbeelding van, maar nooit fundamentele alternatieven, is wat ons technodemocratisch kapitalisme drijvend houdt. ‘Vandaar de noodzaak tot creativiteit, innovatie, flexibiliteit, out of the box denken, utopisch denken misschien zelfs, à la SBS6 – maar nooit fundamenteel, altijd gedoseerd. Gedrogeerd, zou Marx misschien zeggen.  Dat levert een gedepolitiseerde tijd op, waarin wie werkelijk utopisch denkt al snel verweten wordt ‘terug te willen naar de jaren zeventig. Maar nee, juist de jaren zeventig hebben de utopie verkocht.’

Empathie is helemaal niet fijn (maar is wel nodig)

In een blog geschreven na de uitwisseling concludeerde ik met enige verbazing dat al in de eerste gesprekken met deelnemers uit Kosovo en Servië mijn mind iets minder open was dan gedacht. Ik betrapte mijzelf erop dat ik vast de waarheid wist als het over conflicten in de Balkan geschiedenis ging en dat ík in 2014 leef maar de rest misschien wel ‘n tikkeltje achter liep.

Wat bleek: net zoals ik hadden anderen óók al de waarheid in handen. En of je nou jong en ontwikkeld bent in Nederland of de Balkan, dat maakt niet uit. Je maakt hoe dan ook deel uit van de top notch van je land. Met precies dezelfde overeenkomsten. Kort gezegd hield dit in dat tijdens het eten de smartphones op tafel lagen en het algemene niveau Engels even hoog, al dan niet hoger was dan dat van mij. Oh, en Berlijn vinden ook Serviërs en Kosovaren reuze hip. Waarom ik deze preek over vooroordelen gaf die ogenschijnlijk onschuldig zijn? Omdat onder andere het verspreiden en het daarmee in stand houden van deze vooroordelen de wortel kan zijn van een conflict, zo vertelde ongeveer iedere organisator of gastdocent van de uitwisseling ons.

Waar wij ons in deel een van de exchange vooral in de ander probeerde in te leven door te luisteren – naar de media, het verleden, het heden – deden we dit pas daadwerkelijk in deel twee. Begrijp me niet verkeerd, Belgrado was een waar uitstapje. Mede doordat het in de zomervakantie viel, de avonden zwoel waren en het eten fantastisch en we ook nog leerden over conflict en media. Wat een verschil qua omstandigheden met deel twee: doorweekt van de regen en met de deadlines van school nog in het achterhoofd sjorrend met mijn backpack naar de kampeerboerderij in Ommen. Maar, had ik mijzelf niet die vraag gesteld, was dat eerdere fijne en gezellige karakter van de week in Belgrado niet ook gelijk een barrière voor het doorbreken van echte conflicten en wrok?

Stap één in de goede richting leek mij het simpelweg luisteren naar de verhalen die mensen te vertellen hadden en hierop door te vragen: hoe hadden zij dit ervaren, klopte het dat ik dit zo zag? Ik maakte – noodgedwongen – lastige politieke situaties en herinneringen minder abstract door ze eigen te maken. Zou ik net zo welwillend zijn om een ogenschijnlijke vijand te ontmoeten als zij? Voor veel mensen was de deelname geen uitstapje maar een broodnodige verkenning van iets wat voor veel mensen gezien wordt als de basis van een conflict.  Het moet niet gemakkelijk zijn geweest maar reacties van vrienden en familie, soms negatief of op zijn minst zeer verbaasd, weerhielden hen niet.

Deze deelnemers gooiden hiermee de basis voor gewelddadige conflicten weg; namelijk het dehumaniseren van mensen. Als je je daadwerkelijk  inleeft in die ander dan zou je die ander niet pijn willen doen omwille van een lap grond.  ‘’Als je maatschappelijke verandering wil, stap dan in andermans schoenen.’’ Deze quote van auteur en School of Life oprichter Roman Krznaric verwoord mijn gevoel goed.   Krznaric  zelf een mengelmoes van verschillende etniciteiten, ziet dit verplaatsen in een ander als een noodzaak, zelfs de sleutel tot het overleven in de 21e eeuw.

Hij is – net als ik –  een mengelmoes van verschillende etniciteiten. Hij noemt zichzelf een Australiër, woont in Engeland, heeft een Kroatische achternaam  maar zijn ouders zijn Roemeens en Pools. Tsja, wat ben je dan? Ik denk dat het hebben van een ‘vreemde achternaam’ je dwingt na te denken over je eigen nationaliteit en daarbuiten; want als je niet tot één land behoort, waartoe dan wel?

De reden voor mijn deelname schuilt in verschillende redenen, allemaal niet even onbaatzuchtig dan de ander. Maar hoe zeer het ook in mijn belang was om mee te doen, het op de proef stellen van mijn inlevingsvermogen is niet schadelijk geweest voor iemand – integendeel, als volgens* Krznaric het enige wat mensen willen is om gehoord te worden. Hij legde mij dit uit aan de hand van een voorbeeld. ‘’Neem mijn dochter van 8 als zij boos of verdrietig is; op het moment dat ik alleen al verwoord waar zij mee zit – of dit nu juist of onjuist is – drogen haar tranen op. Het benoemen van waar de ander mee zit vermindert de kans op conflict met 50 procent, ook op wereldschaal.’’

Het kost misschien wat moeite, het bevatten hoe de ander iets ziet,  maar het resultaat mag er zijn. Niet alleen tijdens deze uitwisseling maar meer nog als basis voor hierna.

 

*De quotes van Roman Krznaric zijn verkregen uit een persoonlijk interview met hem

 

Nina in Belgrado – Cliché uurtje

Wachtend op de bus, schuilend voor de zon, borrelend in een kafana: de verhalen die diepe indruk op mij maakten gedurende mijn uitwisselingsweek in Belgrado werden niet verteld tijdens de geprogrammeerde activiteiten. Ik hoorde ze terwijl we zaten te kletsen. Dat die ene jongen bijvoorbeeld was geboren in een schuilkelder.Dat de ander op jonge leeftijd maar net weg was van huis om vervolgens bij terugkomst te zien dat van zijn huis alleen nog stof over was. Dat het meisje met een Servische vader en Kroatische moeder  nog steeds soms met een half oog wordt aangekeken: ‘Oh dus je bent half Kroatisch…’

Ik besefte, de 18 Nederlandse, Servische en Kosovaarse deelnemers zitten wel allemaal in hetzelfde vijvertje te vissen – of te appen, Instagrammen, Facebooken – maar grotere verschillen in onze prille jeugd waren bijna niet te bedenken. Niet doordat we allemaal student zijn en misschien hetzelfde ideaal hebben voor deze wereld, maar wel door het land waarin we leven. Hoe erg een schoolsysteem je beïnvloedt en wat het oorlogsverleden van een land met je doet sijpelde af en toe door in gesprekken. Het voerde niet te boventoon, want dat was geweest. Het was onvermijdelijk een vlek op het leven van deze jongeren nu en misschien wel de toekomst.

Het opvallende aan het bespreken van diverse conflicten, in het specifiek over Kosovo – Servië relaties, was dat er niet expliciet gesproken werd over wat er ooit is gebeurd.  Achteraf praatte ik hierover na met anderen en vroegen wij ons – onder het genot van het zoveelste kopje Turkse koffie – hardop af: zijn hierdoor dingen vermeden of weggestopt? Moet er ten grond aan een verandering zoals het vaak negatieve wederzijdse beeld van Kosovaren en Serviërs niet altijd een gevoelsmatig ietwat vervelende en ongemakkelijke doorbraak zijn? Wie weet gebeurt dat nog als de groep in oktober Nederland aandoet, maar misschien is alleen de herinnering aan het conflict al wel ongemakkelijk genoeg.

Dat vind ik gelijk het moeilijke aan iets wezenlijks veranderen: je moet ergens beginnen en wat is dan de juiste manier? Ik realiseerde maar al te goed dat hoe klein de groep ook was – het praten over stereotypes, de ontwikkeling van een conflict en wat je wel of niet moet aannemen als de waarheid in media – niemand wezenlijk heeft veranderd. Noch zijn denkbeelden misschien radicaal anders geworden. Wel heeft de energie van de deelnemers iets in mij wakker gemaakt. Wat ik hiermee ga doen en hoe ik dit ga vormgeven moet zich nog uitkristalliseren maar het borrelt in ieder geval wel om een verschil te maken. Nog meer dan voorheen, en dat is al een verandering op zich.

 

Dit blog verscheen ook op De Twintiger

Nina in Belgrado – Elitair zijn we toch wel

Terwijl ik iedere herinnering aan de uitwisselingsweek in Belgrado opschrijf en ze op minder dan een miljoen velletjes papier probeer te kladden ben ik maar weer wat blij dat ik geen chirurg ben. Ik mag als journalist wat schrapen rechts, en wat polijsten links. En blijkt een zin een struikelblok, dan gum ik hem gewoon uit.

Iets wat minstens zo veranderlijk is, maar minder onschuldig, zijn mijn vooroordelen. De vooroordelen die misschien iemand stiekem  in mijn tas had gestopt voordat ik door de douane liep, want ik wist niet dat ik ze bij me droeg voordat ik naar Belgrado kwam.

Ik had onbewust hoge verwachtingen van de hele ervaring. Met mijn dikke backpack en open mind stapte ik het vliegtuig in. Al in de eerste gesprekken met deelnemers uit Kosovo en Servië – uit ieder land deden zes participanten mee –  bleek mijn mind iets minder open dan gedacht. Ik betrapte mijzelf erop dat ik 1. Vast de waarheid wist als het over conflicten in de Balkan geschiedenis ging en 2. dat ik in 2014 leef maar de rest misschien wel ‘n tikkeltje achter liep.

Wat bleek: net zoals ik hadden anderen óók al de waarheid in handen en 2.of je nou jong en ontwikkeld bent in Nederland of de Balkan, dat maakt niet uit. Je maakt hoe dan ook deel uit van de top notch van je land. Met precies dezelfde overeenkomsten. Kort gezegd hield dit in dat tijdens het eten de smartphones op tafel lagen en het algemene niveau Engels even hoog, al dan niet hoger was dan dat van mij. Oh, en Berlijn vinden ook Serviërs en Kosovaren reuze hip. Waarom geef ik deze preek over vooroordelen die ogenschijnlijk onschuldig zijn? Omdat onder andere het verspreiden en het daarmee in stand houden van deze vooroordelen de wortel kan zijn van een conflict, zo vertelde ongeveer iedere organisator of gastdocent van de uitwisseling ons.

In één belangrijk ding had ik mij gelukkig niet vergist: namelijk de overvloed aan eten, te beginnen bij de interculturele avond. Tijdens deze informele kennismaking werd iedere stap die ik zette onderbroken met handen die mij zelfgestookte rakija aanreikten, vergezeld van lokale hapjes. En had ik al van het traditionele bier geproefd? In ruil daarvoor legde ik in mijn beste Engels uit wat salmiakballen zijn en werd ik door iemand vriendelijk doch dwingend verzocht de laatste paar welbekende ‘stroepwaffles’ te bewaken met mijn leven want: ‘’I’ve had them before and they’re the best.’’ Wordt vervolgd.

Dit blog verscheen ook op De Twintiger 

Nina in Belgrado – Voor alles is een tweede keer

338 dagen eerder lag ik op misschien wel ditzelfde strandbedje, met dezelfde nep-Spaanse live-muziek op de achtergrond en dezelfde kindjes om mij heen die inmiddels hadden leren zwemmen. Was mijn ervaring met Belgrado in Servië toen één grote eerste keer, deze keer kwam op een goede nummer twee. Want hoewel zonder familie om mijn roots te ontdekken, stond ik op het punt nu weer het land doorboren in al haar facetten.

Ik wist inmiddels hoe mijn vader vroeger naar school liep en waar hij potjes basketbal speelde. Ook wist ik hoe de lange zomeravonden voelden en hoe verse vijgen en burek uit de hand smaakten. Wat ik nog niet wist – althans, wel dacht te weten – was hoe het land echt in elkaar steekt. Dat mijn vader niet geheel zonder reden 41 jaar geleden het land had verlaten nam ik aan als de waarheid. Maar wát maakte en maakt nog steeds de maatschappij – in mijn vaders woorden – dan zo ongezond?

Dat deze zaken niet op de straat liggen, en al helemaal niet zichtbaar zijn in de verzengende hitte met ‘mambo nr 5′ op de achtergrond is een understatement, kan ik je vertellen.
Maar met een dertig jaar oude airconditioning op standje maximaal leerde ik in de daaropvolgende week meer over de cultuur, politiek en de mensen van het land dan dat ik zonder deze uitwisseling waarschijnlijk in mijn hele leven zou doen.  Met mij hadden zo’n 17 andere jongeren zich aangemeld voor deze Eerste Keer. Deze uitwisseling voor Nederlanders, Kosovaren en Serviërs, georganiseerd door Our Future Europe was een eerste keer voor velen. Voor de betrokken Kosovaren de eerste keer in Belgrado en voor de actieve jonge Serviërs veelal de eerste keer in gesprek met Kosovaren. De rol van Nederland was mij nog niet helemaal duidelijk in dit verhaal, maar gezien het programma haast bizar op mijn lijf was geschreven – had me gevraagd wat ik zou willen doen in mijn zomer dan had ik het zelf niet beter kunnen bedenken – besloot ik het antwoord hierop rustig af te wachten. Wordt vervolgd.

 

Dit blog werd ook gepubliceerd op De Twintiger

Follow

Get every new post delivered to your Inbox

Join other followers: